het juryrapport
JURYRAPPORT 
LEO HERBERGHS POËZIEPRIJS 2020

“HET ZUIVERE PLEZIER VAN VERANDERING”

         Stichting Dichter in Beeld
          Maastricht, juni 2020

JURYRAPPORT LEO HERBERGHS POËZIEPRIJS 2020
De Stichting Dichter in Beeld stelt zich ten doel dichters en gedichten een fysieke plek te geven in het straatbeeld en landschap in een combinatie van poëzie en andere kunstvormen. Geruime tijd was haar werkgebied de Nederlandse provincie Limburg, maar de laatste jaren is de stichting ook in andere delen van het land actief, onder meer in Rozendaal en Beverwijk/Wijk aan Zee. Dichter in Beeld wil – in goede afstemming met de overheid - een intermediair zijn tussen de dichter en de samenleving. Doel is de dichtkunst letterlijk en figuurlijk de ruimte te geven en het publiek in aanraking te brengen met de schoonheid van de poëzie. Voor de periode 2020 tot 2025 is onder meer Maastricht gekozen als plaats waar Dichter in Beeld de ontmoeting tussen poëzie en publiek wil vorm geven in de continuering van de Leo Herberghs Poëzie Prijs.
Beleid voor de periode 2020 tot 2025
- De prijs wordt, te beginnen in 2020, vijf jaar achtereen jaarlijks uitgereikt door stichting Dichter in Beeld (DiB).
- De vijf gedichten gaan onderdeel uitmaken van een wandelroute door het Frontenpark (Sphinxgebied) te Maastricht. Het gedicht houdt op enigerlei wijze verband met de natuur van het Frontenpark en dus met Maastricht en het dient te associëren met het oeuvre van Leo Herberghs, de naamgever van de prijs.
- De dichter ontvangt een geldbedrag van € 750,-, in ruil waarvoor de dichter een gedicht schrijft.
- De uitreiking van de prijs geschiedt tijdens een feestelijke bijeenkomst waarna er een onthulling plaats vindt op de locatie in of bij het Frontenpark.
- De vijf uitgevoerde gedichten vormen een literaire wandeling ter nagedachtenis aan Leo Herberghs.
- Aan deze wandelroute wordt uiteindelijk een publicatie gewijd.
De criteria
Aan de keuze van de dichter ligt de vraag ten grondslag: ‘Kan de dichter een gedicht schrijven dat prikkelend en innovatief is en aansluit bij het beleid van de gemeente Maastricht om het Frontenpark een hippe en dynamische uitstraling te geven? Enige associaties met het werk van Leo Herberghs dienen in het gedicht te herkennen te zijn’
Uitgangspunt voor de keuze van de dichter is dat het gaat om een in de Nederlandse taal publicerende dichter die zich als zodanig heeft bewezen en daarvoor al enige maatschappelijke erkenning heeft gekregen.
De jury
De jury voor de toekenning van de LHPP 2020 bestaat uit:
Frans van Wijmen, voorzitter
Henk Groenewegen, lid
Merlijn Huntjens, lid
Bij haar werkzaamheden heeft de jury zich laten adviseren door
Gijs van Elk
Gert Boonekamp
De jury heeft een bindende voordracht gedaan aan het bestuur van de Stichting Dichter in Beeld, dat bestaat uit Henk Groenewegen, Johan Dinjens (voorzitter), en Gijs van Elk (secretaris en penningmeester).
Voor de Leo Herberghs Poëzie Prijs 2020 is de keuze gevallen op de dichter 
Maarten van der Graaff
Een korte literaire biografie. 
Maarten van der Graaff (Dirsland, 1987) debuteert in 2013 met de bundel Vluchtautogedichtenbij uitgeverij Atlas Contact. In 2014 wordt deze bundel bekroond met de C. Buddingh’-prijs. Dood werk, zijn tweede bundel, verschijnt in 2015 en wordt twee jaar later bekroond met de J.C. Bloem-poëzieprijs. In 2017 verschijnt zijn debuutroman Wormen en engelendie wordt genomineerd voor de Anton Wachterprijs. In 2020 publiceert hij de dichtbundel Nederland in stukken bij uitgeverij Pluim. Hij is redacteur en medeoprichter van het online literair tijdschrift Samplekanon, dat in 2018 De Lokienprijs van de Sybren Polet Stichting mocht ontvangen. Het idee voor zijn derde bundel, Nederland in stukken, ontstond toen een linkse boekhandel in het centrum van Utrecht, De rooie rat genaamd, moest sluiten. Van der Graaff kocht op het nippertje een aantal oude pamfletten, tweedehands boeken en anarchistische blaadjes. Deze aankopen vormen de ‘stukken’ van Nederland, in de betekenis van juridische documenten, waarin de dichter zoekt naar uitspraken die ook vandaag nog zouden kunnen gelden. Gedeelten uit deze aangekochte lectuur zijn door de dichter letterlijk geciteerd in de bundel, met inbegrip van verouderde spelling. De flaptekst onthult: “Wat is Nederland? Hoe omschrijf je een land? Het is meer dan alleen zijn inwoners en geschiedenis, maar bestaat ook uit afspraken, wetten, en documenten. En elke dag ontstaat er nieuwe geschiedenis. Maarten van der Graaff heeft de lades en archiefkasten waarin Nederland zit opgeborgen doorzocht. Zo ontstond deze dichtbundel, vol verhalen over inwoners uit het verleden of de toekomst, vermengd met flarden van overheidsdocumenten, YouTube-video’s, levensliederen, jaarverslagen, sciencefiction en slogans. Het loopt allemaal in elkaar over. ‘Nederland in stukken’ is niet het eindresultaat van Van der Graaffs onderzoek, maar een werkboek, zodat je ook je eigen onderzoek kunt beginnen. Je mag in de kantlijn schrijven.”
Op zijn eigen website geeft Van der Graaff het volgende visitekaartje af:
‘Als je schrijft ben je in een gemoedstoestand die niet heel actief is. Je doet wel van alles, maar je bent voornamelijk dingen aan het vinden die je niet zocht. Je legt verbanden die je van tevoren niet ziet, maar die zich bijna aan je opdringen. Zo ben ik nu bezig met gedichten waarin ik passages uit de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening naast modellen over inburgering en integratie zet. Daar meng ik dan weer citaten doorheen van Ramses Shaffy. Als je snel wilt handelen bij het schrijven mis je iets – je moet afwachten.
De Franse filosoof Simone Weil schrijft over decreatie, ontschepping – dat begrip vond ik interessant. Weil spreekt over een God die afstand heeft genomen van de schepping. God trekt zich terug: door zelf minder te worden, kan alles bestaan. De mens imiteert die beweging: je ontledigt jezelf, je persoonlijkheid doet er niet meer toe. Je treedt dat grotere, anonieme tegemoet – dat is ontscheppen. Schrijven zie ik meer als decreëren dan als creëren: je schept wel wat, maar als je schrijft, stem je je ook af op iets wat groter is dan jij. Weil spreekt over aandachtig afwachten, “passief-actief” zijn – in die vorm kan decreatie zich voordoen. Steeds geeft ze je iets wat je niet verwacht. Dat is nastrevenswaardig’.
In interviews krijgen we een inkijkje in de herkomst en de wortels van Van der Graaff.
'Ik ben Maarten van de Graaff (1987) en ik ben opgegroeid op het eiland Goeree-Overflakkee, Zuid Holland. Mijn oma vertelde mij verhalen, die ze zelf bedacht en op een gegeven moment begon ik zelf ook passages te verzinnen. Toen ik in 1999 als jongen uit groep zeven de Nationale Voorleeswedstrijd won, vroeg een aantal mensen of ik zelf ook schreef. In de boekjes die ik toen kreeg begon ik met mijn eerste verhalen. Op de middelbare school las ik veel en bleef ik gedichten en verhalen schrijven. Na mijn studie debuteerde ik met mijn dichtbundel Vluchtautogedichten. Toen een vriend van mij dominee werd, net onder het eiland waar ik ben opgegroeid zei ik tegen mijn vriendin dat ik dacht dat ik hier iets mee moest doen. Dit was het begin van dit project.' Het leidde tot zijn debuutroman 'Wormen en engelen', over een zoektocht naar de betekenis van geloof. 
Hij vertelt verder: ‘Een deel van mijn tienertijd was ik gelovig. Daarbij heb ik aan de Universiteit Utrecht religiewetenschappen gestudeerd en ben ik altijd veel met geloof bezig geweest. Ik zag tijdens mijn studie en in mijn directe omgeving hoe verschillend mensen met religie omgaan: erdoor worden afgestoten, of erdoor worden aangetrokken, ook jonge vrienden. Al die gedachten en ervaringen intrigeren mij en hier heb ik uiteindelijk een boek over geschreven.'
Het gedicht waarmee zijn eerste bundel, Vluchtautogedichten, opent oogt als een leeswijzer voor zijn poëzie en een verantwoording van zijn dichterschap.
*
enorme enorme ruimte
wie zijn al deze vreemdelingen die mij fascineren?
ik begin de illegale reconstructie
als opgeschorte monnik
op zijn witte rug drijvend
er is een schaduw groter dan de bergen
tijdens mijn wandeling door de buurt zie ik iemands uiterlijk
doorbuigen het hart campagne
klopt als een betoverde pik
aanwezigheid tukt op de vloer
iemand toont mij de foto
waarop iedereen die ik ken
inclusief droomwens rotstuin faillissement
staat afgebeeld
ontsnappen is sexy
Kenmerkend in de poëzie van Van der Graaff zijn pogingen om te vluchten, los te komen en los te blijven van alles. Daarnaast zijn er nogal wat gedichten over liefde en intimiteit. Dit de ander aantrekken en afstoten lijkt in eerste instantie tegenstrijdig, maar het vormt uiteindelijk juist de spankracht van de bundel: “ontsnappen is sexy”. Lees het gedicht “139”.
139
Ik omgeef je van achter en van voren,
ik leg mijn hand op je.
Mijn hand is een eenzelvige korst op je.
Je voelt leem, de huid van
Leviathan. Vastberaden, oeroude Leviathan.
Ik houd mijn oog op je.
Al week je voorbij mijn begrip (mijn begrip is een zee
je kunt geen kant op of er is begrip),
Al kroop je terug bij je moeder,
dan nog zou mijn hand zich vergrijpen,
mijn rechterhand zou smoren als
mos zonder weet van zijn
stugheid.
Mijn linkerhand aanhalen, met trage halen tot
stilte manen.
Word ik wakker,
dan nog ben ik bij je.
Maarten van der Graaff portretteert zich in zijn werk als eigenzinnig en onorthodox. Innovatief en op zoek naar nieuwe vormen. Hij is wel ‘ongeneeslijk origineel’ genoemd. In zijn zoektocht naar nieuwe vormen schuwt hij de provocatie niet. Binnen de jury is zijn poëzie bijzonder de moeite waard genoemd met name vanwege de beelden. Zinnen zoals Vergaderingen waar ik ontbreek / zijn prachtige vergaderingen slaan de spijker op de kop en kunnen herhaling laten zien zonder dat ze storend wordt. Ook kan Maarten van der Graaff recht voor z’n raap zijn op een totaal eigen manier, een manier die op het eerste ogenblik zachter lijkt. Rechtvaardigheid en tedere gebaren/horen bij anderen, niet bij mij. Met name in zijn laatste bundel, maar ook in eerdere poëzie en in zijn proza, gebruikt hij de impliciete en expliciete tegenstelling die kleur geven aan het zogenaamde gebeuren van alledag. Dat gebruik kan ook teint geven aan een gedicht op een zuiltje in de Hoge Fronten waar lieflijkheid van de natuur grenst aan voormalig gevaar, strijd aan vreedzaamheid, verscholen zogenaamde leegte aan moeilijk zichtbare zeldzame diersoorten.
Wat ook opvalt in de poëzie van Maarten van der Graaff is een zekere voorliefde voor opsommingen, catalogi, indexen en de verbinding die daarmee te leggen is met de bureaucratische werkelijkheid van alledag. Eerder lazen we dat al in de bundel “Dood werk”:
Lijst met bedekkingen
Nederland, ik schrijf dit niet zomaar,
ik zoek naar je dood en gemeenschap.
Ik zoek naar je waarheid en haat.
Ik schrijf gedichten.
Ik ben in de war.
Ik zoek naar je lichaam.
Ik ben oppervlakkig.
De bundel “Nederland in stukken” is daar ook een sprekend voorbeeld van. De gedichten “Index” en “Residuen” openen in hun opsommingsdrang nieuwe verten op de kille werkelijkheid, waarmee we in dagbladen en in de media worden geconfronteerd: de traagheid en de onbeweeglijkheid van de politiek. De 555 genummerde fragmenten van het slotgedicht, het relaas van een moeder die haar dochter zoekt, die zich ergens in het buitenland heeft teruggetrokken, geven alle ruimte om zelf de verbeelding te laten spreken en te associëren op de banale dagelijkse werkelijkheid.
Onthutsend is het eerste gedicht uit diezelfde bundel, getiteld “Contract tussen man en jongen” waarin een vorm van misbruik in de seksuele omgang tot in de meest verfijnde details contractueel wordt vastgelegd. Wie argeloos het gedicht begint te lezen slaat de schrik al snel om het hart. Onder de titel ‘Contract tussen man en jongen’ lezen we:
   partijen bij deze overeenkomst
   te weten
   ik
   hierna te noemen
   de jongen
   mijn aanrander 
   hierna te noemen
   de man 
   handelingen bij deze overeenkomst
   te weten 
   feitelijke aanranding van de eerbaarheid
   hierna te noemen 
   aanranding
In dezelfde formele taal verplicht de man zich tegenover de ouders een excuus te bedenken voor de reis met de jongen naar ‘het speelveld’ ergens in Frankrijk. Het mag waarlijk een vondst worden genoemd om in het masker van een juridische overeenkomst de actualiteit van de #MeToo aan de orde te stellen. En niet van humor ontbloot.
Daarnaast biedt zijn poëzie connotaties met het werk van Leo Herberghs omdat hij eigenzinnig en onorthodox is en de natuur een originele plaats geeft in zijn poëzie. Zoals in zijn korte gedicht, afkomstig uit zijn eerste bundel:
Gedicht uit Galicië
We lopen een tocht waarin we niet geloven.
Een zwarte regen wil naar zee (die niet vol raakt, maar slikt
zonder  te kauwen, zoals het toerisme duizenden per jaar eet.)

Het is moeilijk te zeggen hoe moe alles is.
En ook de roerdomp mag in dezen niet ontbreken (ook uit Vluchtautogedichten (ook gepubliceerd in Het Liegend Konijn, jaargang 10, 2012), een gedicht dat ook in niet geringe mate de humor in de poëzie van Maarten van der Graaff helder belicht:

Boven de kringloop van regen en baby’s vliegt de roerdomp.
De roerdomp heeft niets met dat alles te maken.
Met de kringloop van granaten, bananen, offers, slijtage
heeft de roerdomp niets te maken. Daar moet duidelijkheid over bestaan.
Hij gelooft zelfs niet in kringlopen, de roerdomp.
‘Ieder rad is bedoeld om iemand voor ogen te draaien,’
zingt hij (wat schor van de kou op die hoogte).
Tot slot van dit juryrapport citeren wij uit het ‘handboek dichterschap’ van Maarten van der Graaff. Het tweede deel van Dood werk bestaat uit negenentwintig geklokte gedichten. Zij zijn geklokt op de manier zoals in het arbeidsproces: je klokt in en uit. Alles wordt genoteerd en gecontroleerd. Het is een vorm van regulatie, maar ook zegt Van der Graaff in het eerste geklokte gedicht het tegenoverstelde: ‘Ik klok het gedicht om vrij te zijn.’ In het twaalfde gedicht (‘Twaalfde geklokte gedicht, waarin ik het uitleg) legt Van der Graaff uit hoe een geklokt gedicht in zijn werk gaat. Hij incorporeert het poëtische procedé in zijn poëzie en is op die manier transparant in zijn doen en laten:
Hoe maak je een geklokt gedicht?
Kijk op de klok. Noteer de tijd.
Schrijf een gedicht.
Wanneer je stopt met schrijven en even zit te lummelen 
moet je daarna, wanneer je verdergaat, de tijd noteren.
Als je naar de wc moet of naar buiten wil 
is het gedicht af.
Verander er niets meer aan (of bijna niets).
Doe dit de dag erna weer.
Ik bedoel: schrijf de dag erna weer een geklokt gedicht 
en verander de dag erna weer niets (of bijna niets).
Nummer het geklokte gedicht.
Voeg eventueel een titel toe.
Doe dit in de stijl van negentiende-eeuwse hoofdstuktitels.
Tussen deze twee strofen zit één minuut van gelummel, en tussen deze strofen en de slotstrofe van het gedicht zitten twee minuten van gelummel. Van der Graaff legt het uit en voegt daar nog relativerend, enigszins ironisch aan toe:
Nu ben je een dichter. Creatief en ondernemend.
Je hebt jezelf gedisciplineerd en gerealiseerd en elke andere tijd
is ondenkbaar geworden.
Je bent een efficiënt spook van het modernisme.
Nu ben je dus een dichter. Een kind kan de was doen. Ik lees hierin een terechte vingerwijzing naar de authentieke-verhaaltjesdichters. Wat bij Van der Graaff gebeurt, die disciplinering, is vele malen interessanter dan een rond, afgesloten versje met het nodige zelfmedelijden. Wat hier gebeurt, is op sommige momenten regelrecht pathetisch: ‘Ik hou van glamour / maar glamour is zo duur / en zo veel werk.’ Of: ‘Ik ben al dood en teken op / hoe ik heb geleefd.’ Daarbovenop komt dat deze manier van klokken de registratie van het heden nog meer benadrukt. Zij thematiseert zodoende de overpeinzingen van de dichter op dit moment. De twijfels die naar voren komen in deze gedichten, en ook in de lijsten, zijn het directe en noodzakelijke resultaat van de vorm van zelfonderzoek die in deze poëzie wordt bedreven. En het is niet alleen twijfel en pathetiek in Dood werk, ook grote woorden (Grote Woorden), zoals de titel paradoxaal aangeeft: ‘Ik voelde me opgebaard.’ Of:
Ik heb ideeën over mijzelf
en deze ideeën vermommen zich als gevoelens
en produceren mijn gedrag.
Dit is de taal waarin ik handzaam ben,
steeds overzichtelijker en rationeler.
Dit is de taal die mij rustiger maakte.
(…)
Maar de taal die ik als bezwering gebruik
is de vijand van echte redelijkheid en genot.
Ik ben gezond, leeg en mechanisch.
Mijn waanzin is apart gezet.
Ik ben bang dat ik tekst doodmaak,
dat ik zal werken en vrije tijd zal hebben,
omdat ik al dood ben.
Het is tekenend dat juist die doodsheid die Van der Graaff continu benadrukt, contrasteert met de vitaliteit die uit dit werk spreekt. Denk nogmaals aan de metafoor van de ruïne. En het is godzijdank niet alleen kommer en kwel wat de klok slaat in Dood werk. Wanneer er sprake zou zijn van een eendimensionaal engagement, zou dat het geval zijn, maar door de persoonlijke twist is er ook wat positiefs te melden en kan er zelfs vooruit worden gekeken, getuige de slotregels van de bundel:
Ik denk aan de toekomst
en hoe de alledaagse wereld van transacties
steeds verbouwd zal worden,
hoe ik steeds weer zal overgaan
in andere staten.
Daar denk ik opnieuw en opnieuw aan.
Gemeenschap, tijd, werk.
Het zuivere plezier van verandering.
Creatief en ondernemend, dat is Maarten van der Graaff en is ook daarmee een bloedbroeder van Leo Herberghs. Hij verkent de affectieve en sociaalpolitieke mogelijkheden van het subject dat verankerd en opgesloten zit in het heden. Daarin zit tegelijkertijd de mogelijkheid besloten die het buiten het subject te bieden heeft: wat kan het subject in de context waarin die verkeert. Dat wordt gethematiseerd in de vormen die in de bundel “Dood werk” naar voren komen. Of zoals Van der Graaff het zelf benoemt: ‘Dit alles registreer ik in lijsten en geklokte gedichten, vormen die uit elkaar vallen waar je bij staat.’ De tweeledigheid van dat zelfonderzoek – inclusief de daarmee gepaard gaande paradoxen en tegenstellingen – is vruchtbaar, zoals uit deze poëzie blijkt. 
Het moge duidelijk zijn dat de jury verheugd is dat Maarten van der Graaf zijn nominatie heeft geaccepteerd. 
Namens de jury van de Leo Herberghs Poëzieprijs,
Frans van Wijmen, voorzitter
Maastricht, 26 september 2020

misschien ook interessant

terug naar boven