LHPP 2020 voor Maarten van der Graaff
De eerste Leo Herberghs Poëzieprijs uit een nieuwe reeks van 5 jaar werd op 26 september 2020 uitgereikt aan Maarten van der Graaff. Het evenement werd gehouden in 'The Basement Bar' in het Students Hotel in Maastricht (Sphinxgebouw). Vanwege covid-19 konden slechts 30 gasten ontvangen worden. 
Niettemin was het een prachtige manifestatie waar de poëzie gevierd werd met voordrachten en jazz-muziek. Hieronder doen we verslag en is ook het programma opgenomen. Ook publiceren we het juryrapport. We bevelen het van harte ter lezing aan.
Maarten van der Graaff
Foto: Bianca Sistermans ​​​​​​​
De jury heeft voor de LHPP 2020 gekozen voor Maarten van der Graaf. 
Hier vindt u het juryrapport.
Johan Dinjens (voorzitter DiB)
Johan Dinjens (voorzitter DiB)
Merlijn Huntjens Juryrapport
Merlijn Huntjens Juryrapport
Joep van Leeuwen
Joep van Leeuwen
Joep van Leeuwen en vriendin
Joep van Leeuwen en vriendin
Joep van Leeuwen en Tim Daemen (Muziek)
Joep van Leeuwen en Tim Daemen (Muziek)
Joep van Leeuwen en Tim Daemen
Joep van Leeuwen en Tim Daemen
Maarten van der Graaff
Maarten van der Graaff
Maarten van der Graaff
Maarten van der Graaff
Maarten van der Graaff
Maarten van der Graaff
Maarten van der Graaff
Maarten van der Graaff
Maarten van der Graaff
Maarten van der Graaff
Maarten van der Graaff
Maarten van der Graaff
Joes Brauers
Joes Brauers
Joes Brauers met tekst Peter Pluymen
Joes Brauers met tekst Peter Pluymen
Joes Brauers
Joes Brauers
Maarten van der Graaf en Laury
Maarten van der Graaf en Laury
Joes Brauers
Joes Brauers
Joes Brauers
Joes Brauers
Tekst Peter Pluymen, voorgedragen door Joes Brauers
Beste Maarten van der Graaff en Laurie, beste poëzieliefhebbers,
De site Straatpoëzie.nl van de Universiteit Utrecht toonde, per 25 september 2020, 34 gedichten in de Maastrichtse publieke ruimte. Ik moet de redactie van deze universitaire site teleurstellen. Een recente telling binnen de gemeente Maastricht leverde 87 poëzie- of aan poëzie gerelateerde items op. En wanneer daar de poëzie en poëziefragmenten binnen de semi-publieke ruimte – zoals de tien, nog in gebruik zijnde Maastrichtse kerkhoven – bij worden opgeteld, dan overschrijdt het aantal de 100.
Wat valt daarover te zeggen?
Grofweg kan er een scheidslijn worden getrokken rond het jaar 2000 met enige jaren daarvoor als aanloop. Vóór die tijd is er nauwelijks dichtkunst aanwezig in de Maastrichtse openbare ruimte. We moesten het doen met fragmenten van de minneliederen van Hendrik van Veldeke op de sokkel van zijn beeld op het naar hem genoemde plein ... met een ‘over-de-top – l’art pour l’art’ – tekstfragment van ene Charles Lecomte de Lisle op de voet van het monument voor Franse vluchtelingen in de Eerste Wereldoorlog …  of met een rijmsel van Victor de Stuers, aangebracht in de bovenbouw van Poort Waerachtig nabij de Sint Pieterskade
We komen teksten tegen als:
Wie iets doen duren wil, die heft zijn hart omhoog,
Servatius nog lang dees’ huizen schutten moog.
of
Verloren, verloren
het werk en het goud
als God zijnen zegen
aan d’arbeid onthoud.
en
Vreest God met den koning,
doet uw plicht,
die hen bescherme 
de stad Maastricht.
De poëzie die werd geschreven en getoond, kan worden getypeerd als: ‘veelal sterk regionalistisch en nauw verbonden met een overwegend traditionele katholieke levensbeschouwing’. De poëzie of tekstfragmenten in de openbare ruimte uit die periode zijn vooral ornamenteel. Ze staan op de sokkel van een kunstwerk, op een zerk, of zijn onderdeel van een bouwwerk en markeren het moment van ingebruikneming.
Er was een wereldoorlog voor nodig, een daarop volgende, gaandeweg mislukte restauratie van de vooroorlogse verhoudingen, een niet te keren secularisatie, een ontkoppeling van het kerk- en stadsbestuur, een nieuwe lichting politici en plaatselijke en regionale kunstpausen, een oriëntatie op de rest van Nederland én de wereld, én een nieuwe generatie kunstenaars die binnen dit wisselend decor opgroeide … om, stap voor stap, het kunst- en cultuurklimaat in Maastricht van gezicht te doen veranderen. 
Een van de kunstenaars die al voor de Tweede Wereldoorlog een nieuwe weg insloeg, was de dichter Pierre Kemp. Hij werd, zeker door de Maastrichtse wereldlijke en geestelijke bestuurslaag, gezien als een rare snuiter. Zijn verdekte of minder verholen erotische en zijn vrijzinnig-religieus getinte gedichten waren het fatsoenlijke Maastricht en Limburg van die tijd ten minste een brug te ver. Maar het was deze Kemp die in 1954 de Poëzieprijs van de stad Amsterdam ontving, in 1956 de Constantijn Huygensprijs en in 1958 de P. C. Hooftprijs. Tja … daar sta je dan mooi te kijk als regenten van de provinciale hoofdstad. Het werd achteraf goedgemaakt met het toekennen van de stedelijke eremedaille. Maar van harte ging het allemaal niet.
Ik maak nu een grote stap van 1959 naar 1986. Na flink wat duwen en trekken lukte het een aantal mensen een beeld van Pierre Kemp in de openbare ruimte te laten plaatsen. De gemeente betaalde; ‘vooruit dan, als het moet.’ Een paar jaar later kwam de stedelijke cultuurportefeuille voor het eerst in handen van een nog jonge wethouder, die écht iets met kunst had. Hij liet – een beetje stiekem eigenlijk – op de sokkel van het beeld Kemps beruchte ‘plasgedicht’ De la musique avant toute chose plaatsen. Het aparte was dan wel weer dat deze ‘urinade’ nauwelijks zichtbaar op de achterkant van het basement werd aangebracht. De plannen van deze jonge wethouder van dit deel van het Maastrichtse stadspark een poëzietuin te maken, gingen echter hopeloos de mist in. Het vorig jaar verdween een soortgelijk initiatief van buurtbewoners in de prullenbak.  
Een aantal jaren later – in 2000 om precies te zijn – kreeg Wiel Kusters de opdracht een muurgedicht te maken voor het Derlontheater, het nieuwe onderkomen van Toneelgroep Maastricht. Kusters schreef Bordenhal – Het Vervolg, met verwijzingen naar de arbeidsomstandigheden en de maatschappelijke verhoudingen in de tijd van de opkomende Maastrichtse aardewerkindustrie én het belang van kunst en cultuur. 
In 2004 besloot de gemeente Maastricht in het net geopende Jekerpark – in het kader van de 1%-regeling – nu eens geen beeldende kunst te plaatsen, maar poëzie.  Het was even wennen, begeleid door een protest van de gemeentelijke adviescommissie, die adviseerde over kunst in de openbare ruimte: hoezo geen beeldende kunst maar poëzie; wat gaan we nou hebben? De verantwoordelijke cultuurwethouder zette door en er werden gedichten geplaatst van Frans Budé, Pierre Kemp, Wiel Kusters, Hans van de Waarsenburg én Erik Solvanger, een student geneeskunde aan de Universiteit Maastricht. Bovendien werden de gedichten fraai gebundeld en alle omwonenden van het nieuwe Jekerpark ontvingen een gratis exemplaar.
Wanneer de in de Maastrichtse publieke ruimte aanwezige poëzie van plaatsingsdata wordt voorzien, zou kunnen worden vastgesteld dat er, sinds het begin van dit millennium, sprake is van een immense, niet te stuiten groei. Van enige tientallen rond de laatste eeuwwisseling naar een kleine of dikke honderd – het is maar hoe je het wilt bekijken – in het jaar 2020. En het eigenaardige of leuke is, dat die groei getypeerd mag worden als ‘plaatselijk epidemisch’. In deze barre tijd een wat gewaagde kwalificatie, maar troost u met de gedachte dat besmettelijkheid ook uiterst prettige vormen kan aannemen. Ik bedoel dit:
Het lijkt wel of er een nieuw trend is ingezet. Het is niet alleen de gemeente die opdracht heeft gegeven tot het plaatsen van poëzie in de publieke of semi-openbare ruimte. Een dichter als Maarten van den Berg bijvoorbeeld heeft in opdracht van particulieren – zoals kroegbazen, restauranthouders maar ook schoolbesturen – intussen ongeveer twintig gedichten gemaakt en geplaatst, waarvan een aantal tijdelijk. Als je de Maastrichtse kerkhoven bezoekt, dan zie je op de graven steeds vaker poëziefragmenten verschijnen. We mogen citaten noteren van Adriaan Roland Holst, Schiller, Neeltje Maria Min, de cabaretiers Toon Hermans en Dolf Jansen en complete haiku’s. Op en rond de oostflank van de Sint Pietersberg zijn, op een aantal zitbanken, gedachtenisplaatjes voor overledenen aangebracht. Naast tekstregels van J. Bernlef en Emma Crebolder treffen we ontroerende, zelfgeschreven korte dichtregels aan.
Dames en heren, op 25 september 2020 telde Maastricht minimaal 87 poëzie- of aan poëzie gerelateerde items in de openbare ruimte. Vandaag zijn er dat tenminste 88.  Per 26 september 2020 zijn wij verrijkt met een nieuwe aanwinst, met twee dikke strepen onder het woorddeel ‘winst’: een gedicht van Maarten van der Graaff.  De keuze voor Maarten van der Graaff is zojuist toegelicht en ik kan die alleen maar onderschrijven. Maar staat u mij toe daaraan nog iets toe te voegen.
Maarten van der Graaff is een alleskunner. Poëzie, proza én, zeer recent, samen met Tom Dello, de theatertekst ‘Het lokaal’. U kunt zich voorstellen dat ik, als acteur, die toneeltekst met speciale interesse heb gelezen.
Wat mij opvalt is het volgende.
In het werk van Maarten van der Graaff is er sprake van – wat ik zou willen noemen – ‘zachte overgangen’. Ik bedoel dit:
Zijn Bildungsroman ‘Wormen en engelen’ is op momenten volstrekt poëtisch en dat geldt ook voor de theatertekst ‘Het lokaal’. Zijn poëzie – en dan noem ik als voorbeelden ‘Contract tussen man en jongen’ en ‘Residuen’ in de meest recente bundel ‘Nederland in stukken’ – kunnen meteen als theatermonoloog worden gespeeld. Ik zou het onmiddellijk aandurven.
Dan: wat zijn poëzie, zijn roman én zijn theatertekst doet samenkomen is dat, wat de grote wereldliteratuur – ook binnen het theater – al meer dan 2000 jaar verbindt: het thema van het Verlies. Ik moet daarover wat duidelijker zijn, want ‘verlies’ is vandaag de dag een precair issue. 
Als ik spreek over ‘verlies’, dan plaats ik dat nadrukkelijk niét in de context van de door populistische types uitgebate en uitgemolken teloorgang van identiteit en nationale glorie. Of de door hen daaraan gekoppelde, zogenoemde nieuwlichterij in de kunst en architectuur én de op hoge poten geformuleerde vordering tot terugkeer naar vroeger, wat dat ‘vroeger’ ook moge zijn. Ook binnen de Maastrichtse kunst in de openbare ruimte – beeldende kunst én poëzie – zijn daarvan genoeg voorbeelden te vinden.
Ik heb het over een ander soort ‘verlies’. Het verlies dat al in de oudst bekende gods- en godenverhalen, theaterstukken én binnen alle kunstdisciplines steeds opnieuw aan de orde is gesteld en verbeeld. Een verlies waaraan geen ontkomen mogelijk is, al helemaal niet door een vlucht in het verleden. Het is het verlies dat is gegeven met hét én ieder mens-zijn, hier en nu én in de toekomst. Het onvermijdelijke bij het leven horende verlies, dat alleen maar geleefd kan worden door je steeds opnieuw ertoe te verhouden. Dat daarmee de noodzaak van eigentijdse en zich steeds vernieuwende kunst is gegeven, is de enige, voor de hand liggende en correcte gevolgtrekking. En dat is precies, waaraan de literatuur van Maarten van der Graaff beantwoordt. Het oude en urgente thema wordt door hem geadresseerd op een eigentijdse, volkomen authentieke en super-originele manier.
Er is overigens nog een andere reden waarom ik ook de tekst van ‘Het lokaal’ graag zou willen spelen. Het is wel een beetje privé, maar vooruit. Ook dat heeft te maken met het tijdloze én met ervaringen die ik waarschijnlijk met Maarten van der Graaff deel. ‘Het lokaal’ kan ook gelezen worden als een ode aan de bruine kroeg. Het café waar iedereen en vooral de mensen die ‘buiten de lijntjes kleuren’ welkom zijn. De tapperij die iedere omzet verhogende blitse scheet die gelaten wordt op het gebied van de laatste trends en modes, weet te pareren omdat het ‘je er thuis voelen’ en ‘iedereen is welkom’ als belangrijkst deviezen gelden. Het was zo’n kroeg – het Maastrichtse toneelacademie-café ’t Tribunal om precies te zijn – waar ik mijn onschuld verloor. En dat verlies past natuurlijk wél weer enigszins in de lijn van mijn betoog.
Beste Maarten en Laurie, beste dames en heren, ik sluit af.
Maastricht heeft, als historische stad, nogal eens met verlies te maken gehad. De plek waar zo meteen het gedicht van Maarten de Graaff geplaatst gaat worden – de resten van de verdedigingswerken – herinnert aan nederlagen van eeuwen geleden. Recénte verliezen zijn het mislopen van het één jaar lang culturele hoofdstad van Europa mogen zijn in 2018 én het mislopen van het Eurovisie Songfestival in 2020. Ik moet daarbij opmerken dat dit laatste niet door iedereen als een verlies wordt ervaren. 
Maar per 2020 zijn wij de enige stad in Nederland, in Europa en in de wereld, die een gedicht van Maarten van der Graaff in de openbare ruimte heeft. Kom maar op Leeuwarden en Rotterdam ! Gefeliciteerd Maastricht !

misschien ook interessant

terug naar boven